|
Naar
Suriname
Na een reis van drie maanden zette op 5 juni
1873 de eerste Brits-Indische immigranten voet
aan wal in Suriname. Zij kwamen met het zeilschip
de 'Lalla Rookh' (letterlijk: Roze wang), met
aan boord 399 mensen. In Nederland is de eerste
zelforganisatie van Hindoestanen heel toepasselijk
genoemd naar dit zeilschip. Tussen 1873 en 1916
kwamen ongeveer 34.000 Hindoestanen naar Suriname,
waarvan ongeveer elf duizend weer terugkeerden
naar India. Na de afschaffing van de slavernij
was er namelijk een grote behoefte aan arbeidskrachten.
Het
grootste gedeelte van de immigranten kwam als
contractarbeider. Daarom wordt deze groep ook
wel kantraki’s genoemd. De bedoeling was
na een tijdelijk verblijf terug te keren naar
het land van herkomst. Vaak waren het de negatieve
omstandigheden in eigen land die de contractant
in spé ertoe dreven in te gaan op de
verhalen van de ronselaars. Het waren verpauperde
boeren, landlozen, landarbeiders en mensen met
familieproblemen die in Suriname een nieuw begin
zagen. Een toekomst die begon met een schone
lei in het ‘land van Shri Ram’.
Zo werd Suriname namelijk gepresenteerd. Shri
Ram is een incarnatie van God Vishnu, één
van de Goddelijke principes van de drie-eenheid
van het Hindoeïsme. Maar dat de ronselaars
de situatie te rooskleurig deden voorkomen,
zouden ze pas ontdekken wanneer het te laat
zou zijn.
Vanuit de Surinaamse
zijde (eigenlijk de Nederlandse, omdat Suriname
in die tijd een kolonie was van Nederland) had
het aantrekken van deze arbeiders een economische
en een politieke dimensie. Economisch omdat
men arbeidskrachten nodig had voor de plantages.
Politiek omdat in juli 1873 het staatstoezicht
op de slaven werd beëindigd en daarmee
de afschaffing van de slavernij formeel een
feit werd. De Brits-Indische contractarbeiders
namen de taken over van de al tien jaar eerder
vrij verklaarde creoolse slaven, die voor een
groot deel naar de stad waren vertrokken.
|